› Autisme

Hoe merk ik het?

  • Verminderd vermogen om sociale relaties op te bouwen en te onderhouden
  • Graag alleen zijn
  • Niet aangeraakt en/of geknuffeld willen worden
  • Vermijden van oogcontact
  • Niet met vriendjes of vriendinnetjes willen spelen
  • Dwangmatig gedrag
  • Veel rituelen er op na houden
  • Verminderde geestelijke ontwikkeling
  • "Ik" en "jij" verwisselen
  • Afwijkend taalgebruik (onder andere: het herhalen van woorden van een ander)

Hoe werkt het?

    Autisme is niet één aandoening. Men spreekt wel van het autistisch spectrum: een brede waaier van allerlei verschillende uitingen van de aandoening. Binnen dat spectrum horen subgroepen als klassiek autisme, syndroom van Asperger, PPD-NOS. Autisme is een ziekte die gevolg is van een stoornis in het functioneren van de hersenen. Kern van de aandoening is dat de samenhang tussen verschillende waarnemingen niet wordt gevoeld. Zo wordt een gebeurtenis ervaren zonder het bijpassende gevoel, wordt bij het contact met een ander geen emotie gevoeld zoals bijvoorbeeld vriendschap. Doordat een autist geen samenhang ervaart tussen zijn waarnemingen en emoties worden zijn sociale groei en ontwikkeling sterk beperkt. Dat kan zich als volgt uiten:
  • Het contact met anderen loopt niet, onder andere doordat autistische mensen niet met een ander kunnen meevoelen en hem ook niet aanvoelen. Zij trekken zich daardoor vaak terug op zichzelf.
  • Communicatie loopt niet. In de meeste gevallen kunnen autistische mensen goed praten, maar de spraak wordt vaak niet voor communicatie gebruikt, zeker niet voor emotionele communicatie. Het is onmogelijk voor hen om emoties onder woorden te brengen. Gebaren en gezichtsuitdrukkingen worden vaak ook niet begrepen.
  • De fantasie is verstoord, het is hen niet mogelijk zich een voorstelling te maken van wat komen gaat.
  • Belangstelling, activiteiten beperken zich tot een beperkt gebied.

Hoe ontstaat het?

Autisme komt voor bij ongeveer twee op de duizend personen en het komt vier keer zo vaak voor bij jongens als bij meisjes. De oorzaak is niet bekend. Erfelijke factoren kunnen een rol spelen, mogelijk ook gebeurtenissen tijdens de zwangerschap of infectieziekten daarna. De meerderheid van de autistische mensen is verstandelijk gehandicapt, maar de intelligentie kan normaal zijn. Sommige autistisch mensen zijn zelfs hoog intelligent.

Hoe ga ik er zelf mee om?

In de omgang met iemand met een autistische stoornis zijn eenvoud en regelmaat van belang. Een vast stramien, geen onverwachte gebeurtenissen, goede voorbereiding op veranderingen zijn vereisten.

Hoe gaat de arts er mee om?

De diagnose wordt vaak gesteld voor het derde levensjaar. De ouders merken dat het moeilijk is (emotioneel) contact te krijgen met hun kind. Het speelt moeilijk met andere kinderen, is vaak alleen. Het taalgebruik is anders, raar. Hevige woede- of angstaanvallen komen voor. Is er vermoeden van een stoornis, dan wordt het kind uitgebreid onderzocht door een kinderpsychiatrisch team. Aan de hand van de bevindingen wordt een advies gegeven betreffende begeleiding, ouderbegeleiding, een schooladvies. Autisme kan niet genezen worden. Door behandeling en begeleiding wordt ernaar gestreefd dat het kind zo goed mogelijk functioneert en zo min mogelijk hinder van zijn kwaal ondervindt.

Wetenschappelijk nieuws

Speciaal geschoolde deskundigen, bijvoorbeeld medewerkers van consultatiebureaus, kunnen al bij tweejarige of nog jongere kinderen signalen van autisme herkennen. Gezondheidszorgpsycholoog Iris Servatius-Oosterling, werkzaam bij Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie Universitair Centrum, een samenwerkingsverband van het UMC St Radboud, pleit in haar proefschrift voor scholing op het gebied van vroege herkenning van autisme voor bepaalde groepen professionals. Een autismespectrum-stoornis wordt in Nederland vaak pas vastgesteld rond de leeftijd van 4 à 5 jaar of nog later. De ouders van het kind zijn dan meestal al de nodige opvoedingsproblemen tegengekomen en met een opeenstapeling van onbegrip, stress en andere moeilijkheden geconfronteerd. Het is in veel gevallen echter goed mogelijk om autisme al vóór de leeftijd van 36 maanden te herkennen, zo stelt Servatius-Oosterling. Vroege herkenning verloopt in twee stappen, via een zogenoemd vroeg-detectieprogramma. De eerste stap is een grove screening aan de hand van acht alarmsignalen, bijvoorbeeld nog geen losse woordjes zeggen met achttien maanden of niet reageren op aangesproken worden bij twaalf maanden. Als het kind gedrag vertoont dat overeenkomt met één van de alarmsignalen, is een aanvullende screening met een speciale vragenlijst nodig. Deze tweede stap kan bijvoorbeeld plaatsvinden op het consultatiebureau of bij een centrum voor integrale vroeghulp. Als ook deze aanvullende screening positief is, moet een kind worden doorverwezen naar een kinderpsychiatrisch centrum om definitief uitsluitsel te krijgen. Essentieel voor vroege herkenning is, dat artsen of andere medewerkers van bijvoorbeeld consultatiebureaus de acht alarmsignalen kennen en dat zij geschoold zijn in het afnemen van de speciale vragenlijst. Daarnaast moeten zij leren een "klinische blik" te ontwikkelen voor het herkennen van signalen. Servatius-Oosterling toont aan, dat de kans op een diagnose vóór de leeftijd van 36 maanden toeneemt van vijf procent naar bijna dertig procent door scholing, in combinatie met introductie van het vroeg-detectieprogramma. Of de stoornis al zo jong wordt herkend, hangt mede af van de ernst van de beperkingen. De ernst van de stoornis kan van kind tot kind sterk verschillen. Opvoedingsdeskundigen zijn overtuigd van het belang van de vroege herkenning van autisme. Voor peuters en kleuters met autisme zijn goede opvoedings- en begeleidingsprogramma"s beschikbaar, bijvoorbeeld op medische kinderdagverblijven. De ouders kunnen geholpen worden om beter met hun kind om te gaan, waardoor het zich waarschijnlijk beter ontwikkelt en er in het gezin minder stress en spanningen ontstaan. Servatius-Oosterling pleit er dan ook voor, dat professionals van consultatiebureaus en andere betrokken deskundigen zich laten (bij)scholen op het gebied van vroege herkenning van autisme. De promovenda onderzocht of een speciale training voor ouders van een jong kind met autisme iets toevoegt aan de bestaande zorg. Zij vergeleek kinderen van ouders die een jaar lang een speciale oudertraining volgden met kinderen van ouders die zo"n training niet kregen. Alle kinderen kregen de reguliere zorg voor autisme. Na één jaar bleek, dat alle kinderen vooruit waren gegaan op het gebied van vroege sociale vaardigheden en taal; tussen beide groepen kinderen was echter nauwelijks een verschil in vooruitgang te zien. Servatius-Oosterling concludeert, dat het niveau van de huidige zorg voor jonge kinderen met autisme in Nederland al behoorlijk hoog lijkt, maar ook dat er wat betreft behandeling en begeleiding wellicht nog verbeteringen mogelijk zijn.